Expand verbindt HR professionals en HR vacatures aan het hele vakgebied

Hoger beroep van ontslag op staande voet onder de WWZ

Op 23 februari jl. oordeelde het Gerechtshof Den Haag over de volgende casus. Een werkneemster was met ingang van 1 augustus 2012 in dienst getreden van een organisatie die onder meer buitenschoolse opvang verzorgde. Op een warme zomerdag had de werkneemster samen met een andere groepleidster een groep van 10 kinderen in leeftijd variërend van 1 tot 12 jaar meegenomen naar een buitenspeeltuin. De werkneemster had daarbij gebruik gemaakt van haar eigen auto om vier kinderen te vervoeren en haar collega van een bedrijfsauto om de overige zes kinderen te vervoeren. Ongeveer anderhalf uur na aankomst in de buitenspeeltuin ontdekten de werkneemster en haar collega dat één van de kinderen (van twee jaar oud) in de auto van werkneemster was achtergebleven. Hoewel het kind langere tijd in de hete, afgesloten auto had gezeten, was hij ongedeerd.

Vanwege dit incident zijn de werkneemster en haar collega op staande voet ontslagen. Werkneemster is vervolgens een kort geding gestart en in reactie daarop heeft de werkgever de kantonrechter primair om een schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW, en subsidiair om voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e en/of g en/of h BW (derhalve ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkneemster en/of een verstoorde arbeidsverhouding en/of de restcategorie) verzocht. In verweer hierop heeft werkneemster vernietiging van de opzegging verzocht. De kantonrechter heeft het primaire verzoek van de werkgever tot schadevergoeding niet gehonoreerd, maar de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigd en aan werkneemster een transitievergoeding toegekend van € 1.648,63. Ook heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 januari 2016.

De werkgever is van deze uitspraak van de kantonrechter in hoger beroep gegaan. Het Gerechtshof Den Haag was van oordeel dat werkneemster onaanvaardbaar tekort geschoten was in de zorg voor de aan haar toevertrouwde kinderen. Dit was dermate ernstig dat een ontslag op staande voet gerechtvaardigd was. Vervolgens was de vraag aan de orde of de loondoorbetaling tussen de procedure bij de kantonrechter en de procedure bij het gerechtshof verschuldigd bleef ondanks dat het gerechtshof de beslissing van de kantonrechter vernietigde. Het gerechtshof oordeelde daarover dat het verzoek van werkneemster om vernietiging van de opzegging ten onrechte door de kantonrechter was toegewezen.

Voor 1 juli 2015 zou dat in een zaak als deze, waarin het gegeven ontslag op staande voet als terecht wordt beschouwd, betekent hebben dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per datum ontslag op staande voet geëindigd was. Loonbetalingen die nadien waren gedaan, konden in beginsel als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. Het recht na 1 juli 2015 wijkt hiervan significant af. Thans geldt namelijk in een dergelijke situatie dat, hoewel het hof van oordeel is dat het ontslag op staande voet op goede gronden is gegeven, de arbeidsovereenkomst van partijen niet op de datum van het gegeven ontslag op staande voet eindigt. Het hof dient zelf, als het geconstateerd heeft dat het ontslag op staande voet toch terecht gegeven is, ingevolge artikel 7:683 lid 6 BW een tijdstip te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst van partijen tot een einde komt. Dat tijdstip mag volgens de parlementaire geschiedenis niet in het verleden liggen. In de memorie van toelichting is bepaald dat het de appelrechter niet is toegestaan om een beschikking van de kantonrechter houdende een vernietiging van de opzegging, te vernietigen, omdat de opzegging zelf dan zou herleven, hetgeen per saldo zou neerkomen op een (door het nieuwe stelsel niet beoogde) einddatum in het verleden.

Het vorenstaande betekent dat ook al is de ontslag op staande voet op goede gronden gegeven, de arbeidsovereenkomst desalniettemin voortduurt en de werkgever in beginsel gehouden is werkneemster het loon te betalen tot het door het hof te bepalen einde van de arbeidsovereenkomst. De loonbetalingen tussen de datum waarop het ontslag op staande voet werd gegeven en de in deze procedure door het hof te bepalen einddatum van de arbeidsovereenkomst kunnen derhalve in beginsel niet als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd.

Niettemin oordeelde het hof in deze zaak dat aangezien het tot een andere beslissing komt dan de kantonrechter en de beschikking van de kantonrechter - weliswaar met uitzondering van de vernietiging van de opzegging - wordt vernietigd, daardoor ook de uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst komt te vervallen. Eén en ander betekent dan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in principe nog altijd bestaat. Het hof moet dan ingevolge de parlementaire geschiedenis bij artikel 7:683 lid 6 BW deze arbeidsovereenkomst tussen partijen alsnog doen eindigen en daarvoor een in de toekomst gelegen datum bepalen. Naar het oordeel van het hof zou dit er echter toe leiden dat - in het licht van het feit dat de kantonrechter ontbinding per 1 januari 2016 heeft uitgesproken - de werkgever voor wat betreft de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt door haar appel in een slechtere positie komt te verkeren dan op basis van de beschikking van de kantonrechter het geval was geweest. Hiertegen verzet zich de regel dat een partij niet slechter mag worden van zijn hoger beroep (ook wel het verbod van reformatio in peius genoemd).

Dit brengt met zich mee, aldus het hof, dat hoewel het hof het einde van de arbeidsovereenkomst dient te bepalen op een in de toekomst gelegen tijdstip, niettemin in dit speciale geval - gezien ook de uit processtukken kenbare wens van partijen om de arbeidsovereenkomst op die datum als beëindigd te beschouwen - het einde van de arbeidsovereenkomst zal vaststellen op 1 januari 2016.

Een bijzondere, want niet in lijn met de WWZ en de parlementaire geschiedenis, maar toch terechte, gelet op het verbod van reformatio in peius, uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.

 

Geplaatst in Arbeidsrecht door Nelleke de Langen-Loeffen op 12 april 2016

Reacties op Hoger beroep van ontslag op staande voet onder de WWZ

Er zijn nog geen reacties.

Plaats zelf een reactie